Het met zand, olie en slib verontreinigde water wordt opgevangen in een olie-afscheidingsinstallatie. Deze bestaat meestal uit de volgende onderdelen: slibvangput, olieafscheider, controle put.
In de slibvangput vindt scheiding van het afvalwater plaats. De zware stoffen (bijv. zand) zinken naar de bodem, waar het
zich geruime tijd kan ophopen. De lichte vloeibare stoffen (bijv. olie) drijven op het water en verplaatsen zich via een horizontale buis naar de olie-afscheider.

De olie-afscheider is gevuld met water. Hier wordt het olie/watermengsel uit de slibvangput gescheiden. Het gelijktijdig met de olie binnenstromende vervuilde water vermengt zich met het water in de olie-afscheider. De nog aanwezige fijne slibdeeltjes zinken naar de bodem. De olie verplaatst zich naar het wateroppervlak, waar het blijft drijven.
Het van olie en slib gescheiden afvalwater stroomt nu via een buis naar de controleput, waarna het water in het gemeenteriool wordt geloosd.
In de olie-afscheider is een vlotter geplaatst, welke drijft op water (dus niet op olie). Deze vlotter is gekoppeld aan een waterafsluiter. Doordat de olielaag na verloop van tijd steeds verder aangroeit zal de druk op het water toenemen waardoor het waterniveau zakt. Zodra de maximale dikte van de olielaag is bereikt, drukt de vlotter de afsluiter dicht. Op deze wijze wordt voorkomen dat u een oliedoorslag krijgt in het gemeenteriool.
Het nadeel is dat er nu geen water meer geloosd kan worden naar het gemeenteriool, waardoor alles vol-/overloopt wat op de olie-afscheidingsinstallatie is aangesloten. Periodiek onderhoud kan dit in principe zo veel mogelijk voorkomen.
Indien u nadere informatie wilt, kunt u contact met ons opnemen.